Kijk eens bij de Nieuwe onderwijsboeken!

Toetsing in het basisonderwijs (2): Het Nederlandse onderwijsstelsel

Karen Heij
Zelfstandig toetsexpert bij Parrhesia onderwijsadvies  

Heij, K. (2025). Toetsing in het basisonderwijs (2): Het Nederlandse onderwijsstelsel.
Geraadpleegd op 14-12-2025,
van https://wij-leren.nl/toetsing-nederlandse-onderwijsstelsel.php
Geplaatst op 1 oktober 2025
Laatst bewerkt op 29 oktober 2025
Toetsing in het basisonderwijs (2): Het Nederlandse onderwijsstelsel

Toetsing hoort bij onderwijs. Het helpt om zicht te krijgen op waar een leerling staat en wat een passende vervolgstap is. Niet altijd is direct zichtbaar of leerlingen begrijpen wat je aanbiedt. Toetsing kan dan inzicht bieden. Die toetsing kan gericht zijn op feedback: voor de leerling, de leerkracht of de gebruikte leermiddelen. Maar toetsen hebben vaak ook andere functies, zoals selectie of verantwoording (accountability). Dan gaat het om vergelijkingen tussen scholen of leerlingen. In de praktijk blijkt de functie van een toets niet altijd uit de toets zelf, maar uit het gebruik ervan in de praktijk. Daarmee zijn toetsen instrumenten die vooral op hun waarde in de praktijk moeten worden onderzocht. 

In deze artikelenserie gaan we in op vragen die leven rondom toetsing in het basisonderwijs. Wat betekent toetsing in de praktijk? Welke impact hebben toetsresultaten op leerlingen en scholen? En hoe verschilt de Nederlandse toetspraktijk van die in andere landen? We onderzoeken de betekenis en rol van toetsing. Kritisch, verdiepend en altijd met oog voor de praktijk.


Dit is het tweede deel van een artikelenreeks over toetsing in het basisonderwijs.

- Lees hier deel 1 over brede onderwijsdoelen
- Lees hier deel 3 over toetsing binnen het opbrengsgericht en ontwikkelingsgericht onderwijs
- Lees hier deel 4 over methodegebonden toetsen

Wil je op de hoogte blijven van nieuwe artikelen, tips en infographics? Schrijf je dan in voor het gratis kennisdossier 'Toetsing in het basisonderwijs' van de Wij-leren Academie. 


Het Nederlandse onderwijsstelsel

Om de rol van toetsing goed te begrijpen, is het belangrijk om te kijken naar hoe het Nederlandse onderwijsstelsel is ingericht. Dit stelsel maakt gebruik van toetsen voor het nemen van besluiten ten aanzien van leerroutes en bijbehorende selectiebeslissingen. Daarmee heeft toetsing een andere rol, namelijk de bepaler van de schoolloopbaan en kansen van leerlingen. Dit noemen we de selectiefunctie van toetsing.

Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft een unieke structuur, gekenmerkt door drie belangrijke pijlers: 1) de duidelijke scheiding tussen onderwijsfases en zeven verschillende tracks voor voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs, vier vormen van vmbo, havo en vwo), 2) de vroege selectie van leerlingen en 3) de prominente rol van toetsen. In dit artikel worden deze kenmerken onderzocht. Hoe beïnvloedt dit de kansen van leerlingen? En welke veranderingen kunnen bijdragen aan een inclusiever en rechtvaardiger onderwijssysteem?

In Nederland bepaalt toetsing vaak de route die een leerling mag volgen.

Kenmerk 1: De duidelijke scheiding tussen onderwijsfases en onderwijstracks

Het Nederlandse onderwijsstelsel kenmerkt zich door een grote scheiding tussen de verschillende onderwijsfasen: primair, voortgezet, beroeps- en hoger onderwijs. Daarnaast wordt vanaf het voortgezet onderwijs een differentiatiegroepering toegepast in verschillende tracks. Daartoe worden leerlingen al vroeg ingedeeld op basis van hun prestaties op toetsen. 

Het primair onderwijs

Het primair onderwijs omvat acht leerjaren (groep 1 tot en met 8) en legt de basis voor de cognitieve, sociale en persoonlijke ontwikkeling van kinderen. In groep 8 wordt een belangrijk schooladvies gegeven over het vervolgonderwijs en maken alle leerlingen de overstap naar het voortgezet onderwijs. 

Al op jonge leeftijd stuurt het schooladvies de richting van een schoolloopbaan.

Het voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs in Nederland kent een strikte indeling in verschillende richtingen. Deze richtingen zijn: praktijkonderwijs (pro), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Elke vorm is gericht op een specifieke leerroute en bereidt leerlingen voor op een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt.

Hoewel er mogelijkheden zijn voor gemengde leerwegen en dakpanklassen, zoals combinaties van vmbo-tl en havo, wordt uiteindelijk toegewerkt naar één specifieke route met één specifiek diploma dat wordt gezien als een bepaald ‘niveau’. Leerlingen worden binnen het voortgezet onderwijs dus grotendeels ingedeeld in klassen met medeleerlingen die hetzelfde schooladvies hebben gekregen. Hoewel dit de suggestie van homogeen groeperen wekt, zijn de groepen ver van homogeen. Dit komt omdat de onderdelen op basis van waarvan geselecteerd wordt beperkt zijn en de overeenkomsten tussen leerlingen feitelijk gebaseerd is op een smal deel van de totale bagage van een leerling. Daarmee zijn de verschillen tussen leerlingen die binnen eenzelfde onderwijsniveau worden geplaatst, vaak groter dan wordt aangenomen. Dit terwijl de verschillen tussen leerlingen juist door de verschillende tracks die als niveaus worden beschouwd, juist vaak worden overschat (Elfers, 2023).  

Het Nederlandse voortgezet onderwijs kent een vroege en scherpe indeling in leerwegen.

Beroepsonderwijs of hoger onderwijs

Na het voortgezet onderwijs hebben jongeren in Nederland diverse mogelijkheden om hun opleiding voort te zetten, afhankelijk van het behaalde diploma en hun interesses. Leerlingen met een vmbo-diploma kunnen doorstromen naar havo of naar het middelbaar beroepsonderwijs (MBO), dat uit vier varianten (ook wel niveaus) bestaat: entreeopleiding (niveau 1), basisberoepsopleiding (niveau 2), vakopleiding (niveau 3), en middenkaderopleiding of specialistenopleiding (niveau 4). Elk niveau biedt een specifieke voorbereiding op beroepen in verschillende sectoren, van technische vakken tot zorg en dienstverlening. En biedt de voorwaarde voor doorstroom van het ene niveau naar het andere. Voor havo- en vwo-leerlingen biedt het hoger beroepsonderwijs (HBO) praktijkgerichte opleidingen. Vwo-leerlingen kunnen daarnaast kiezen voor een academische studie aan een universiteit (wetenschappelijk onderwijs, WO), die gericht is op theoretische verdieping en onderzoek. 

MBO, HBO en WO bieden vervolgonderwijs met elk een eigen focus en instroomroute.

In Figuur 1 is een eenvoudige weergave van het Nederlandse onderwijsstelsel weergegeven.

Figuur 1. Het Nederlandse onderwijsstelsel.

Wil je deze infographic gratis downloaden in hoge kwaliteit? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'Toetsing in het basisonderwijs' van de Wij-leren Academie.

Kenmerk 2: De vroege selectie van leerlingen na het primair onderwijs

Een opvallend kenmerk van het Nederlandse onderwijsstelsel is de vroege selectie van leerlingen, die plaatsvindt rond de leeftijd van 11 of 12 jaar, aan het eind van het primair onderwijs (groep 8). Dit gebeurt op basis van het schooladvies dat aan het einde van het primair onderwijs wordt gegeven. Deze vroege selectie bepaalt de doorstroming van leerlingen naar het voortgezet onderwijs.

De keuzes die op jonge leeftijd worden gemaakt, hebben vaak een blijvende impact op de loopbaanmogelijkheden van leerlingen. Deze vroege scheiding tussen de verschillende tracks beperkt niet alleen de flexibiliteit van het systeem, maar kan ook leiden tot ongelijke kansen, vooral voor leerlingen uit kansarmere milieus maar ook voor kinderen die wat later tot bloei komen of met een andere moedertaal het onderwijs instromen (Elfers, 2023; Onderwijsraad, 2024; PO-raad, 2024). Dit maakt de vroege selectie een belangrijk punt van discussie binnen het onderwijs.

Vroege selectie beperkt de flexibiliteit en vergroot de kansenongelijkheid.

De rol van het schooladvies

Het schooladvies is dus een cruciaal moment in de schoolloopbaan van leerlingen. In groep 8 ontvangen leerlingen dit schooladvies. Dit schooladvies bestaat uit een advies dat de school zelf geeft, gebaseerd op een combinatie van hun prestaties in het leerlingvolgsysteem (LVS), methodegebonden toetsen en observaties van leerkrachten als ook op de uitkomsten van een verplichte toets, de doorstroomtoets. Sinds 2024 is het belang van de uitkomst van de doorstroomtoets vergroot voor het opstellen van het schooladvies. Als er op de doorstroomtoets een hoger advies komt dan het voorlopig schooladvies, dan moet het schooladvies worden bijgesteld in lijn met de toetsuitkomst, tenzij het niet in het belang van de leerling is. Het schooladvies wordt dus voor een belangrijk deel op de doorstroomtoets gebaseerd, terwijl de validiteit van de doorstroomtoets daarvoor niet aangetoond kan worden.

De doorstroomtoets weegt zwaar mee in het schooladvies, terwijl de validiteit daarvoor niet is aangetoond.

Vergelijking met andere landen

Zo wordt in Nederland al op 11- of 12-jarige leeftijd bepaald op welk niveau een leerling zijn of haar voortgezet onderwijs zal volgen. Dit systeem wijkt af van landen van verreweg de meeste andere westerse landen. De meeste landen hebben een onderwijsmodel gekozen waarbij leerlingen een geïntegreerd voortgezet onderwijs hebben alvorens de selectie naar verschillende niveaus en richtingen plaatsvindt, zoals Finland, waar een eerste selectie pas rond de leeftijd van 16 jaar plaatsvindt (zie Figuur 2). 

Figuur 2. Onderwijsmodellen in Europa (Bron: Eurydice, 2024). 

Voor- en nadelen van vroege selectie

De vroege selectie in het Nederlandse onderwijsstelsel wordt veelal onderbouwd door te stellen dat vroege selectie een gerichte en op maat gemaakte leeromgeving biedt voor iedere leerling. Leerlingen die theoretisch georiënteerd zijn, zouden daarmee kunnen profiteren van de uitdaging en diepgang die geboden wordt op niveaus zoals havo en vwo. Hierdoor kunnen zij zich optimaal voorbereiden op een vervolgopleiding die aansluit bij hun capaciteiten.

Vroege selectie brengt ook nadelen met zich mee. Wereldwijd onderzoek toont aan dat vroege selectie slecht is voor de kansengelijkheid van leerlingen: leerlingen uit kansarmere milieus lopen een groter risico om te laag ingeschat te worden. Vroege selectie zorgt ook voor beperkte mobiliteit en beperkt en/of vertraagt de toegang van jongeren tot hoger onderwijs en hun loopbaankansen (Batruch et al., 2023; Elffers, 2023; Onderwijsraad, 2021; PO-Raad, 2024). 

Leerlingen uit kansarmere milieus worden bij vroege selectie vaker te laag ingeschat.

Daarnaast kan vroege selectie, en dan vooral door de druk die gepaard gaat met de toetsing, de ontwikkeling van brede competenties (zoals creativiteit en sociale vaardigheden) in de weg staan, doordat de nadruk voornamelijk komt te liggen op die cognitieve prestaties die bij de selectie relevant zijn. Omdat voor de selectie vooral naar de cognitieve prestaties van leerlingen wordt gekeken, krijgen de cognitieve vakken, en vooral die delen die in de toetsing belangrijk zijn, ook het meeste nadruk in het onderwijs. Dit is een bekend effect van toetsing en wordt het ‘backwasheffect’ genoemd. Dit werkt dan weer een ander fenomeen in de hand, namelijk teaching-to-the-test. 

Voorstanders van latere selectie vinden het belangrijk dat kinderen meer tijd krijgen om zich te ontwikkelen, zowel cognitief als sociaal-emotioneel. Alle kinderen ontwikkelen zich in hun eigen tempo en latere selectie kan ertoe leiden dat talenten en capaciteiten eerst tot hun recht komen alvorens gesteld kan worden wat het beste bij een leerling past.

Het backwasheffect en teaching-to-the-test beperken de ruimte voor brede ontwikkeling.

Vroege selectie en kansengelijkheid

Laten we eens inzoomen op kansengelijkheid en vroege selectie. Deze vroege selectie is nadelig voor kinderen van minder bevoorrechte achtergronden. Onderzoek, zoals dat van Tucker-Drob et al. (2013), wijst er namelijk op dat omgevingsinvloeden bij jonge kinderen een grote rol spelen in hun leerprestaties en ontwikkeling. Dit betekent dat de omstandigheden waarin een kind opgroeit, zoals de mate van stimulatie thuis en toegang tot leerondersteuning, een aanzienlijke impact hebben op wat een kind op jongere leeftijd kan bereiken. Naarmate kinderen ouder worden, neemt de invloed van deze omgevingsfactoren af en komt het kind zelf meer in het spel.  

Bijvoorbeeld voor kinderen uit kansarmere milieus betekent dit dat hun volledige potentieel vaak nog niet zichtbaar is op 11- of 12-jarige leeftijd. Dit geldt ook voor kinderen die met een andere moedertaal het onderwijs instromen. Vroege selectie, zeker in combinatie met de uitkomsten van toetsen van leerlingvolgsystemen (vanaf groep 3), kan daardoor hun mogelijkheden beperken, omdat zij minder tijd en kansen hebben gehad om hun talenten te ontwikkelen. Dit maakt dat zij vaker op een lager niveau worden ingeschat en belemmert hun kansen.

Vroege selectie maakt het lastig om het potentieel van kinderen uit een kansarm milieu te herkennen.

Alternatieven voor vroege selectie 

De vroege selectie benadeelt dus systematisch kinderen met een specifieke achtergrond. Dit is een vorm van bias die toetsing met selectieperspectieven op deze jonge leeftijd dubieus maakt. (Batruch et al., 2023; Van de Werfhorst et al., 2025). Twee mogelijke alternatieven om de selectie op latere leeftijd te laten plaatsvinden, worden hieronder besproken.

1. Brede en verlengde brugperiode: selectie enkele jaren uitstellen

Een eerste optie is om leerlingen langer samen naar school te laten gaan in brede onderbouwklassen. De selectie kan dan bijvoorbeeld drie jaar worden uitgesteld. Dit zou betekenen dat alle leerlingen in het voortgezet onderwijs eerst een gezamenlijke onderbouw doorlopen, voordat er een definitieve keuze voor een onderwijsniveau wordt gemaakt. Dit geeft leerlingen de tijd om op hun eigen tempo te groeien, biedt een eerlijker beeld van hun capaciteiten en geeft hen de kans ook zelf na te denken over wat het beste bij hen past.

Een brede brugklas geeft leerlingen meer tijd om op eigen tempo tot ontwikkeling te komen.

2. Dakpanklassen en flexibele leerroutes

Meer flexibiliteit in het voortgezet onderwijs is een andere optie. Zo kan een voortgezet onderwijs vormgegeven worden waarin leerlingen niet ‘vast zitten’ in een bepaalde track maar zich makkelijker door het stelsel bewegen als blijkt dat zij ergens anders beter passen. Een eerste aanzet daarvan zien we bij zogenaamde dakpanklassen, gecombineerd met het loslaten van de strikte scheiding tussen onderwijsniveaus zoals vmbo, havo en vwo. Door leerlingen in een klas op minimaal twee onderwijsniveaus te plaatsen en flexibele leerroutes te introduceren, wordt het eenvoudiger om tijdens de schoolloopbaan door te stromen naar een hoger niveau zodra een leerling daar klaar voor is. Dit systeem voorkomt dat een vroege plaatsing op jonge leeftijd hun verdere ontwikkeling belemmert en creëert meer ruimte voor maatwerk binnen het onderwijs.

Flexibele leerroutes geven ruimte aan ontwikkeling die later op gang komt.

Deze opties bieden een kans om het Nederlandse onderwijssysteem inclusiever en rechtvaardiger te maken. Door de selectie op een later moment plaats te laten vinden en de grenzen tussen onderwijsniveaus minder strikt te maken, kunnen leerlingen op basis van hun daadwerkelijke ontwikkeling en interesses keuzes maken die beter aansluiten bij hun mogelijkheden. Bovendien kan dit bijdragen aan het verminderen van kansenongelijkheid, omdat externe factoren (zoals sociaaleconomische achtergrond) minder bepalend worden bij het vaststellen van de te volgen onderwijsroute. 

In Figuur 3 wordt een overzicht gegeven van de voor- en nadelen van vroege selectie en mogelijke alternatieven.

Figuur 3. Vroege selectie, wat zijn de gevolgen?

Wil je deze infographic gratis downloaden in hoge kwaliteit? Schrijf je dan in voor het kennisdossier 'Toetsing in het basisonderwijs' van de Wij-leren Academie.

Noodzaak van maatschappelijke en politieke steun

Het invoeren van een systeemverandering vraagt om brede steun van zowel de maatschappij als de politiek. De Onderwijsraad adviseerde al in 2021 om een driejarige brede brugperiode in te voeren om kansenongelijkheid te verminderen. Hoewel dit voorstel bijval kreeg van diverse onderwijswethouders, koos de toenmalige minister van Onderwijs voor een stapsgewijze aanpak en zag af van directe invoering van brede brugklassen.

Desondanks blijft het belang van bredere brugklassen en flexibele leerroutes onderwerp van discussie zoals bleek uit de brief die de Onderwijsraad in november 2024 stuurde naar de Tweede Kamer. Onderwijsprofessionals en beleidsmakers blijven pleiten voor meer ontwikkeltijd en ruimte voor leerlingen, zodat het Nederlandse onderwijssysteem rechtvaardiger wordt en beter aansluit bij de individuele behoeften van kinderen. Dit is ook in lijn met de rapporten die de OESO schrijft onder andere over het Nederlandse onderwijsstelsel.

Systeemverandering vraagt niet alleen beleid, maar ook maatschappelijke en politieke steun.

Kenmerk 3: De prominente rol van toetsen bij het selectieproces.

Een derde kenmerk van het Nederlandse onderwijsstelsel is de prominente rol van toetsen bij het selectieproces. Vanaf het primair onderwijs spelen toetsen een belangrijke rol: ze hebben een directe invloed op de bepaling van de toekomstige leerroute van leerlingen.

Voor het selectieproces dat al in het primair onderwijs plaatsvindt, zijn drie soorten toetsen van belang:

  • Methodegebonden toetsen
  • LVS-toetsen
  • De doorstroomtoets

Toetsen spelen vanaf het primair onderwijs een centrale rol in het bepalen van leerwegen.

Methodegebonden toetsen

Methodegebonden toetsen zijn specifiek ontwikkeld voor een bepaalde lesmethode en sluiten nauw aan bij de lesstof die in de klas wordt behandeld. Deze toetsen worden afgenomen vanaf groep 3. Naarmate leerlingen in hogere groepen komen, wordt de toetsing uitgebreid met vakken die aan het curriculum worden toegevoegd zoals geschiedenis, biologie en aardrijkskunde.

De belangrijkste functie van methodegebonden toetsen zou moeten zijn: leerkrachten inzicht geven in hoe hun leerlingen zich verhouden tot het zich eigen maken van de leerstof. Door de resultaten te analyseren, kunnen zij nagaan welke onderdelen van de stof extra aandacht of herhaling vereisen. Ook zouden deze toetsen kunnen helpen om tijdig extra ondersteuning te bieden aan leerlingen die dat nodig hebben.

In de praktijk blijken echter lang niet alle methodegebonden toetsen aan deze verwachtingen te voldoen. Veel van deze toetsen zijn digitaal, bevatten uitsluitend meerkeuzevragen en bieden weinig mogelijkheden om onderscheid te maken tussen wie wat van de leerstof beheerst en wie waar nog moeite mee heeft. De dekking van de leerstof is vaak beperkt, en ook de normering laat geregeld te wensen over. Daardoor schiet de toetskwaliteit regelmatig tekort en verdient niet elke methodegebonden toets daadwerkelijk het predicaat ‘toets’.

Toch kunnen goed ontworpen methodegebonden toetsen wél waardevol zijn als hulpmiddel voor een doelgerichte en gepersonaliseerde aanpak. Dit vraagt om een kritische blik op de kwaliteit van de toetsen en om bewuste keuzes van scholen in het gebruik ervan. Scholen kunnen ook zelf besluiten andere, beter bij het doel passende toetsen, te ontwikkelen. In een later artikel in deze artikelenserie gaan we hier uitgebreider op in.

Veel methodegebonden toetsen bieden te weinig inzicht in wat leerlingen écht beheersen.

Leerlingvolgsysteem (LVS) toetsen

LVS-toetsen worden ingezet om de voortgang van leerlingen gedurende meerdere jaren te monitoren. Deze toetsen richten zich op kernvaardigheden zoals taalverzorging (vooral grammatica en spelling), rekenen en begrijpend lezen, maar kunnen ook sociaal-emotionele vaardigheden omvatten. De ontwikkelaars van LVS-toetsen adviseren om LVS-toetsen twee keer per jaar af te nemen, als aanvulling op dagelijkse observaties in de klas. De LVS-toetsen ordenen de leerlingen ten opzichte van de leerlingen die op een vergelijkbaar moment dezelfde toets hebben afgenomen. Ze stellen vast hoe een leerling zich verhoudt tot die vergelijkbare groep. Een leerling kan op die manier geordend worden als behorend bij de best scorende 20%, de laagst scorende 20%. Er zijn vijf categorieën ofwel percentielgroepen waarin leerlingen geordend kunnen worden per gemeten vaardigheid. Deze toetsen geven een beeld van een leerling in relatie tot de rest van de populatie maar bieden maar zeer beperkt een beeld van hoe een leerling zich verhoudt tot beheersing van de leerstof. In een later artikel in deze artikelenserie gaan we hier uitgebreider op in.

De LVS-toetsen zijn een voorbeeld van normgericht toetsen. Dit is een manier van beoordelen waarbij de prestaties van leerlingen worden vergeleken met die van een grotere groep, vaak een landelijke normgroep. In plaats van te kijken of een leerling vooraf vastgestelde leerdoelen heeft behaald, wordt hier gekeken hoe goed een leerling het doet ten opzichte van anderen. Dit type toetsing geeft inzicht in de relatieve positie van een leerling binnen een groep en wordt vaak gebruikt om selecties van leerlingen te maken. Er zijn verschillende aanbieders van LVS-toetsen met subtiele verschillen. De belangrijkste functie is vooral het inschatten van de leerling in relatie tot de rest van de leerlingen. Voor scholen biedt deze vorm van toetsing een vorm van benchmark: hoe doet onze school het ten opzichte van andere scholen? Het biedt geen mogelijkheid om vast te stellen hoe een school het doet ten opzichte van de te behalen leerdoelen van het vastgestelde curriculum. Daarom hebben LVS-toetsen maar zeer beperkt waarde als het gaat om een oordeel over kwaliteit van onderwijs.

Normgerichte toetsing vergelijkt prestaties, maar zegt weinig over beheersing van leerdoelen.

De doorstroomtoets

Sinds 2024 vervangt de doorstroomtoets de eindtoets in groep 8. Deze toets is bedoeld als ‘second opinion’ op het voorlopig schooladvies en wordt gepresenteerd als een middel om kansengelijkheid te bevorderen. Van de kant van de overheid wordt steeds benadrukt dat de doorstroomtoets een extra meetmoment biedt om te corrigeren voor mogelijke onderschatting van leerlingen, bijvoorbeeld door onbewuste vooroordelen in het voorlopig advies. Dit gaat ervan uit dat de toets gezien kan worden als een objectief, onafhankelijk en eerlijk oordeel. Toch is de vraag gerechtvaardigd in hoeverre deze belofte van objectiviteit en gelijkheid in de praktijk wordt waargemaakt. De validiteit van deze doorstroomtoets is niet boven twijfel verheven en de waarde die de doorstroomtoets nu heeft in het geheel van selectie is te groot voor de beperkte zekerheid die de doorstroomtoets kan bieden in het oordeel over een leerling. Er wordt nu teveel waarde toegekend aan een toets die dat niet kan waarmaken. Dit is ernstig.

Hoewel de doorstroomtoets de schijn van neutraliteit heeft, blijkt uit onder meer mijn proefschrift dat subjectieve keuzes al beginnen bij het ontwerp van de toets: welke kennis wordt gemeten, hoe worden vragen geformuleerd en welke normen worden gehanteerd? Leerlingen starten niet allemaal vanuit dezelfde uitgangspositie: vroege selectie, de nadruk op taalvaardigheid en de toenemende invloed van schaduwonderwijs maken dat bestaande ongelijkheid eerder wordt versterkt dan tegengegaan. 

De doorstroomtoets lijkt objectief, maar is doordrenkt van keuzes die ongelijkheid kunnen versterken.

Tot slot

Toetsing speelt een centrale rol in het Nederlandse onderwijsstelsel: als selectie-instrument, als meetlat voor prestaties en als basis voor beslissingen over de schoolloopbaan van leerlingen. In dit artikel is duidelijk geworden hoe diep die rol verankerd is in de structuur van het stelsel: van de vroege selectie op 11- of 12-jarige leeftijd tot de prominente invloed van toetsen. Tegelijkertijd laat de analyse zien dat deze manier van toetsen niet neutraal is: keuzes in ontwerp, timing en interpretatie beïnvloeden de kansen van leerlingen. Juist daarom is het van belang om toetsing kritisch tegen het licht te houden – niet alleen als meetinstrument, maar ook als verdeler van maatschappelijke kansen met verstrekkende gevolgen.

Toetsing bepaalt in Nederland niet alleen wat leerlingen kunnen laten zien, maar ook welke kansen ze krijgen. Dat vraagt blijvende waakzaamheid.

In het volgende artikel gaan we dieper in op hoe toetsing vorm zou kunnen krijgen in ontwikkelingsgericht onderwijs. Hoe verhoudt deze benadering zich tot opbrengstgericht onderwijs? Lees verder in deel 3 van deze serie.

Referenties

  • Batruch, A., Geven, S., Kessenich, E., & van de Werfhorst, H. G. (2023). Are tracking recommendations biased? A review of teachers’ role in the creation of inequalities in tracking decisions. Teaching and Teacher Education, 123, 103985.
  • European Commission (2023). European Education and Culture Executive Agency, The structure of the European education systems 2023/2024 – Schematic diagrams, Publications Office of the European Union,  https://data.europa.eu/doi/10.2797/212303
  • Elffers, L. (2023). De grote (on)gelijkmaker. Onderwijs in een ongelijke samenleving (Oratie). Universiteit van Amsterdam.
  • Onderwijsraad (2021). Later selecteren, beter differentiëren. Geraadpleegd op 7 juli 2025, van: https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2021/04/15/later-selecteren-beter-differentieren
  • PO-Raad (2024). PO-Raad wil latere selectie in strijd tegen problemen bij het schooladvies. Geraadpleegd op 7 juli 2025, van: https://www.poraad.nl/kind-onderwijs/doorlopende-leerlijn/overgang-po-vo/po-raad-wil-latere-selectie-in-strijd-tegen
  • Tucker-Drob, E. M., Briley, D. A., & Harden, K. P. (2013). Genetic and environmental influences on cognition across development and context. Current directions in psychological science22(5), 349-355. https://doi.org/10.1177/0963721413485087
    Van de Werfhorst, H., Ten Dam, G., Geven, S., Huijsmans, T., Mennes, H., Mulder, L., ... & van der Meer, T. (2025). Track differences in civic and democratic engagement during secondary education: a new panel study from the Netherlands. The British Journal of Sociology. 1-14. https://doi.org/10.1111/1468-4446.70006
  • Van de Werfhorst, H. G. (2021). Sorting or mixing? Multi‐track and single‐track schools and social inequalities in a differentiated educational system. British Educational Research Journal, 47(5), 1209-1236. https://doi.org/10.1002/berj.3722
Heb je vragen over dit thema? Stel ze in de onderwijs community binnen de Wij-leren.nl Academie!

Dossiers

Uw onderwijskundige kennis blijft op peil door 4000+ artikelen.